Stervensbegeleiding

‘Ik ga dood’, zegt BromBen. Verrast ben ik niet, ik had al een paar verontruste telefoontjes gehad dat het niet zo goed ging met hem. Hij loopt slechter, komt minder goed uit z’n woorden en hij wil niet naar de huiskamer. Z’n standaard antwoord is weer ‘nee’.

Wanneer ik vraag of ik een kop koffie voor hem zal zetten, is zijn antwoord ‘nee’. Voor mijzelf zet ik een kop thee en voor hem schenk ik een kop chocomelk in. Zijn ‘nee’ is hij alweer vergeten, in gedachten drinkt hij met kleine slokjes de mok leeg. Vervolgens zet hij zijn handen als een toeter om zijn mond en zegt: ‘Ik ga kapot’.

Tja, wat moet ik nu? Ik vraag mij af waarom de dood zijn gedachten beheerst. Hem een vraag stellen is eenvoudig maar ik krijg zelden een zinnig antwoord. Vaak weet BromBen het niet. Ik kies voor de invalshoek ‘we gaan allemaal een keer dood’, misschien is zijn gedachte te relativeren. Het lukt even maar dan zie ik BromBen de handen weer naar z’n mond brengen en zeggen: ‘Ik ga dood’.

Ik kies voor een nieuwe invalshoek: ‘Hoe weet je dat?’ vraag ik. ‘Dat is een vraag met een wedervraag beantwoorden’, antwoordt BromBen. Best opmerkzaam voor een dementerende maar zo komen we niet verder. Ondertussen zit hij als een verdrietig vogeltje met gesloten ogen in de stoel. Al een week wil hij niets meer, niet naar de huiskamer en niet beneden eten in de zaal.

‘Ik heb signalen gekregen dat ik vandaag dood ga’, zegt BromBen ineens. ‘Ik weet dat ik het je niet altijd gemakkelijk maak maar ik zou het fijn vinden als je blijft’. Daar zit ik dan. Klaarblijkelijk aan het sterfbed van BromBen, ook al weet ik dat dit niet zo is. ‘Nou,’ zeg ik, ‘wanneer je nog naar het toilet en naar je bed kan lopen, dan sterf je nog niet’. ‘Jawel want ik heb de hele dag nog niets gedronken!’ antwoordt BromBen. Ik kijk naar de zojuist door hem leeggedronken kop chocomelk. Alzheimerlogica.

‘Je gaat er spijt van krijgen als je nu gaat’, zegt BromBen. Dat betwijfel ik maar ik wil hem ook niet het gevoel geven dat ik hem verlaat op z’n sterfbed. Hoe los ik dit op? Ik loop naar de zusterspost voor overleg. Ze hebben zijn urine getest, hij heeft geen blaasontsteking. We vermoeden dat hij last heeft van de bijwerkingen van bepaalde medicatie. Maandag direct de huisarts maar bellen en nu moeten we hem door het weekend zien te slepen. Ik ga terug naar zijn appartement. Hij heeft zijn handen alweer als toeter om z’n mond. ‘Ik ga kapot’, zegt hij.

Nogmaals probeer ik BromBen uit te leggen dat hij vandaag niet dood zal gaan. Heel even gelooft hij dat, totdat zijn gedachten weer met hem op de loop gaan. Ik blijf een uur langer dan normaal maar dan is het tijd om naar huis te gaan. Ik geef BromBen een zoen. Hij is verbolgen dat ik hem alleen laat terwijl hij sterft.

Die avond na het eten bel ik de verzorging met de vraag of ze mij willen terugbellen wanneer ze bij BromBen zijn. Natuurlijk voelt het niet goed om BromBen zo achter te laten. Even later heb ik hem aan de telefoon. Hij is niet langer verbolgen. ‘Ik kom morgen weer, goed?’ zeg ik. ‘Dat is goed’, zegt hij. Die avond zal hij niet sterven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *